Aan het einde van de 19de eeuw begonnen welgestelde Engelsen te fokken met hun katten en deze tentoon te stellen. Het ging voornamelijk om katten die zij uit het Verre Oosten haalden. Het betrof langharige katten en exotische kortharen als Siamezen, Abessijnen en Blauwe Russen.
Rond de eeuwwisseling viel de Engelse huiskat zelden in de prijzen. Dit resulteerde in de oprichting van de allereerste rasclub voor inheemse korthaarrassen. Er werd al snel een rasstandaard opgesteld waarin de ideale uiterlijke kenmerken beschreven werden van het nieuwe Brits kortharige ras. Hierin werd onder andere beschreven dat de katten de lichaamsbouw van de stevig gebouwde Pers diende te hebben, maar dan met een kortharige vacht. De fokkers selecteerden hun katten op een gedrongen en stevige bouw met een dichte, kortharige vacht. Ze kruisten hun kortharen met Perzen om dit proces te versnellen.
De rasstandaarden van de Engelsen werden door de Europese kattenverenigingen overgenomen. Ook werden er veel katten uit Engeland geïmporteerd. Uiteindelijk bleek dat de Europese Korthaar in Scandinavië toch een iets andere bouw had. Daarom werd er in de jaren tachtig van de twintigste eeuw een scheiding gemaakt. De gedrongen gebouwde katten met Perzen invloed kregen de rasnaam Brits Korthaar. De wat minder gedrongen katten van een min of meer zuivere Europese huiskatafstamming kregen de rasnaam Europees Korthaar.
De Brits Korthaar is inmiddels uitgegroeid tot één van de populairste rassen...







































